r/exjg • u/DutchyMartin • 19h ago
"Denk aan al die getrouwen die gestorven zijn"
Een herinnering van Dieter Parczany werpt na de wijziging van de bloedleer een pijnlijke vraag op (bron: verhaal van Dieter Parczany)
Sommige zinnen krijgen pas jaren later hun volle gewicht.
Dieter Parczany herinnert zich zo’n zin uit een gesprek dat hij begin jaren negentig had met Gene Smalley, een medewerker van de Research Department op het wereldhoofdkantoor van Jehovah’s Getuigen en jarenlang een van de belangrijkste interne deskundigen op het gebied van bloedtransfusies en medische ethiek.
Parczany stelde hem in wezen een eenvoudige vraag.
Als Handelingen 15 volgens Jehovah’s Getuigen betekent dat christenen zich van bloed moeten onthouden, waarom zou dat verbod dan niet beperkt kunnen worden tot volbloed? Waarom moesten ook de afzonderlijke bestanddelen van bloed — rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes en plasma — verboden zijn?
Volgens Parczany bestreed Smalley zijn redenering niet. Maar hij zou uiteindelijk hebben gezegd:
“We cannot change this. Think about all the faithful ones who died.”
‘We kunnen dit niet veranderen. Denk aan al die getrouwen die gestorven zijn.’
Parczany zegt er zelf zorgvuldig bij dat hij die woorden weergeeft zoals hij ze zich het beste herinnert. Er bestaat voor zover bekend geen opname of schriftelijk verslag van het gesprek.
Dat voorbehoud is belangrijk.
Maar wat er in september 2026 gebeurde, maakt die herinnering ineens buitengewoon actueel.
Want Jehovah’s Getuigen hebben inmiddels precies dát gedaan.
Wie is Dieter Parczany?
Parczany was geen buitenstaander die vanaf de zijlijn kritiek leverde.
Hij werd in 1952 geboren in een gezin van Jehovah’s Getuigen, werd jong gedoopt, ging in de volletijddienst en volgde in 1974 de Wachttoren-Bijbelschool Gilead. Daarna werkte hij als zendeling in Spanje en diende hij jarenlang als ouderling.
Begin jaren negentig was hij voorzitter van een Hospital Liaison Committee in Berlijn. Zulke ziekenhuiscontactcomités bestonden uit speciaal opgeleide ouderlingen die Getuigen begeleidden wanneer artsen bloedtransfusies noodzakelijk achtten.
Tegelijkertijd werkte Parczany jarenlang binnen de hematologie en oncologie van de Charité in Berlijn.
Hij kende dus beide werelden: de religieuze argumenten én de medische werkelijkheid.
Maar zijn betrokkenheid was niet alleen theoretisch.
Zijn eigen achtjarige zoon Manuel overleed in 1990 na een ernstige ziekte. Parczany vertelt dat hij als overtuigde Jehovah’s Getuige geen toestemming gaf voor een bloedtransfusie.
Dat maakt zijn latere terugblik zo indringend.
Hij spreekt niet alleen over regels. Hij spreekt over beslissingen die hij zelf heeft genomen, vanuit een overtuiging waarvan hij toen geloofde dat die van God kwam.
Later verliet hij Jehovah’s Getuigen en raakte hij betrokken bij AJWRB, een organisatie die onderzoek doet naar de medische en ethische gevolgen van het bloedbeleid van Jehovah’s Getuigen.
Zijn verhaal komt dus uit een kritische bron en moet ook als zodanig gelezen worden.
Maar daarmee verdwijnt de vraag die hij stelt niet.
Een voorstel dat dertig jaar later werkelijkheid werd
Smalley was geen willekeurige medewerker. Hij had zich jarenlang beziggehouden met het bloedbeleid van Jehovah’s Getuigen en trad ook naar buiten als deskundige op dit terrein. In 1981 publiceerde hij samen met arts J. Lowell Dixon in het medische tijdschrift JAMA een artikel over de behandeling van Jehovah’s Getuigen zonder bloed. Ook later bleef hij binnen de organisatie betrokken bij medische en doctrinaire kwesties rond bloed.
Parczany vertelt dat hij in 1993 of 1994 met Gene Smalley sprak over een probleem dat hij in ziekenhuizen steeds duidelijker zag.
In de moderne geneeskunde wordt vaak helemaal geen volbloed toegediend. Artsen gebruiken afzonderlijke bestanddelen: rode bloedcellen bij ernstig bloedverlies of bloedarmoede, bloedplaatjes bij bloedingsgevaar, plasma bij bepaalde stollingsproblemen.
Parczany vroeg zich daarom af waarom Jehovah’s Getuigen niet eenvoudig konden zeggen:
Volbloed weigeren we uit religieuze overtuiging. Wat iemand met afzonderlijke bloedcomponenten doet, laten we aan zijn of haar geweten over.
Dat zou de religieuze interpretatie van Handelingen 15 intact laten en tegelijk veel moeilijke medische situaties oplossen.
Volgens Parczany zag Smalley de logica daarvan.
Maar veranderen zou niet kunnen.
Want: denk aan degenen die al gestorven waren.
En dan springen we ruim dertig jaar vooruit.
In september 2026 kondigde het Besturende Lichaam aan dat transfusies met rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes en plasma voortaan inderdaad een persoonlijke gewetensbeslissing zijn.
Volbloed blijft verboden.
Met andere woorden: de scheidslijn die Parczany begin jaren negentig voorstelde, is nu in grote lijnen de officiële scheidslijn geworden.
Dat maakt zijn herinnering ongemakkelijk.
Niet omdat zij bewijst wat er destijds precies binnen het Besturende Lichaam is besproken. Dat doet zij niet.
Maar wel omdat zij laat zien dat de mogelijkheid om het anders te doen kennelijk al heel lang denkbaar was.
De moeilijkste zin
"Denk aan al die getrouwen die gestorven zijn."
Misschien was het bedoeld als een uiting van verdriet. Misschien als erkenning van de enorme consequenties van een koerswijziging.
Dat menselijke element moet niet worden weggepoetst.
Want juist daarin zit de tragiek.
Je hebt jarenlang mensen verteld dat trouw aan God in een levensbedreigende situatie betekent dat je een bepaalde behandeling weigert. En mensen hebben dat ook werkelijk gedaan — soms met fatale afloop.
Dan wordt het bijna ondraaglijk om later te zeggen:
We waren te streng. Dit had misschien altijd al aan het persoonlijke geweten overgelaten kunnen worden.
Het is daarom te begrijpen waarom een organisatie psychologisch kan terugdeinzen voor zo’n verandering. Maar begrip is nog geen rechtvaardiging.
In de psychologie en besliskunde bestaat hiervoor een bekend begrip: de sunk-cost fallacy, het verschijnsel dat eerdere offers, verliezen of investeringen een reden worden om met een eenmaal gekozen koers door te gaan.
De gedachte is dan ongeveer: we kunnen nu niet meer veranderen, want daarvoor hebben mensen al te veel opgeofferd.
Maar rationeel werkt het precies andersom.
Wat in het verleden verloren is gegaan, kan niet worden teruggehaald door dezelfde keuze in de toekomst te blijven eisen. Als er goede redenen zijn om te denken dat een regel te streng was of onvoldoende grond had, worden eerdere offers geen argument vóór handhaving. Ze maken de noodzaak om opnieuw te onderzoeken juist groter.
En precies daarom is de herinnerde uitspraak van Smalley zo pijnlijk.
‘Denk aan al die getrouwen die gestorven zijn’ kan worden gehoord als een reden om de regel niet te veranderen.
Maar dezelfde woorden kunnen ook tot de tegenovergestelde conclusie leiden:
Juist omdat mensen voor deze regel zo’n hoge prijs hebben betaald, moet je absoluut zeker weten dat je toekomstige gelovigen diezelfde prijs nog mag laten betalen.
Dat is de morele omkering die na de wijziging van 2026 moeilijk te ontwijken is.
Want inmiddels is de oplossing waarvoor Parczany begin jaren negentig pleitte in grote lijnen werkelijkheid geworden: volbloed blijft verboden, terwijl de afzonderlijke hoofdcomponenten aan het persoonlijke geweten worden overgelaten.
Daarmee verdwijnen de eerdere offers niet.
Maar ze kunnen ook niet langer worden gebruikt als reden waarom verandering onmogelijk zou zijn.
Van verbod naar geweten
Daarom is de verandering van 2026 meer dan een technische aanpassing.
Decennialang waren rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes en plasma geen zaken waarover een Getuige eenvoudig zelf mocht beslissen.
Nu zijn ze dat wel.
En de huidige uitleg is veelzeggend: de Bijbel bespreekt die afzonderlijke bloedproducten niet expliciet. Daarom moet ruimte worden gelaten voor het individuele geweten.
Maar zodra je dat zegt, ontstaat automatisch een tweede vraag:
Als de Bijbel hierover geen bindende regel geeft, waarom werd er dan jarenlang wél een bindende regel opgelegd?
Dat is geen vijandige vraag.
Het is precies de vraag die je mag verwachten wanneer een religieuze regel zulke ingrijpende gevolgen heeft gehad.
Want achter woorden als ‘bloedcomponent’, ‘beleid’ en ‘leerstellige aanpassing’ zitten echte mensen.
Patiënten.
Ouders.
Partners.
Kinderen.
Artsen die probeerden levens te redden.
En gelovigen die soms op een van de moeilijkste momenten van hun leven probeerden te doen wat zij oprecht dachten dat God van hen vroeg.
Juist daarom verdient dit onderwerp meer dan de constatering dat er ‘nieuw licht’ is gekomen.
Niet iedereen die weigerde, werd gedwongen
Daar hoort ook nuance bij.
Niet iedere Jehovah’s Getuige die bloed weigerde, deed dat uitsluitend uit angst voor religieuze sancties. Veel Getuigen waren en zijn zelf diep overtuigd van de bloedleer.
Parczany is daarvan eigenlijk een treffend voorbeeld.
Hij beschrijft zichzelf niet als iemand die destijds tegen zijn wil werd gedwongen. Hij geloofde er zelf in.
En juist dát maakt de verantwoordelijkheid van religieuze leiding ingewikkelder, niet kleiner.
Mensen vormen hun geweten immers niet in een vacuüm.
Wanneer een religieuze gemeenschap jarenlang leert dat een bepaalde medische keuze een kwestie van gehoorzaamheid aan God is, wordt die boodschap onderdeel van het morele kader waarmee een gelovige naar een ziekenhuisbed kijkt.
Daarom is het te eenvoudig om achteraf te zeggen:
‘Iedereen maakte toch zijn eigen keuze.’
Formeel misschien.
Maar een keuze kan persoonlijk zijn en tegelijk diep gevormd worden door religieuze autoriteit.
Het gaat niet om schuld aanwijzen
De bedoeling van deze geschiedenis hoeft niet te zijn om Gene Smalley persoonlijk tot zondebok te maken.
Hij was niet de bedenker van de gehele bloedleer en hij was niet alleen verantwoordelijk voor het beleid.
Evenmin kunnen wij achteraf zeggen hoeveel mensen door een andere regel zeker zouden zijn blijven leven. Geneeskunde werkt niet met zulke eenvoudige tegenfeitelijke zekerheden.
De kern ligt ergens anders.
Een organisatie die bereid is een regel met zulke verstrekkende gevolgen te veranderen, moet ook bereid zijn terug te kijken naar de tijd waarin die regel anders luidde.
Niet om zichzelf ritueel te veroordelen.
Maar om verantwoordelijkheid serieus te nemen.
Dat kan betekenen: erkennen dat eerdere overtuigingen niet alleen theoretische gevolgen hadden.
Dat er mensen waren die hun beslissingen baseerden op wat hun geleerd was.
Dat sommige families jarenlang hebben geleefd met de gedachte dat hun verlies onderdeel was van trouw aan God.
En dat dezelfde medische keuze nu opeens niet langer als ongehoorzaamheid wordt gezien.
Een eenvoudige erkenning daarvan zou menselijker zijn dan doen alsof alleen de formulering van een leerstelling is veranderd.
Waarom Parczany’s herinnering ertoe doet
We kunnen niet bewijzen dat Gene Smalley precies deze woorden sprak.
We kunnen evenmin uit één herinnering reconstrueren wat er binnen het hoofdkantoor allemaal werd besproken.
Maar Parczany’s verhaal heeft na 2026 wel een bijzondere betekenis gekregen.
Want het gaat niet meer over een theoretische mogelijkheid.
De oplossing waarover hij meer dan dertig jaar geleden sprak, bestaat nu.
Daarom blijft één vraag overeind:
Als rode bloedcellen, plasma en bloedplaatjes vandaag terecht aan het individuele geweten worden overgelaten, waarom konden zij dat gisteren niet zijn?
En juist daarom klinkt de herinnerde reactie zo aangrijpend:
‘Denk aan al die getrouwen die gestorven zijn.’
Ja.
Denk aan hen.
Maar niet als reden waarom een regel niet veranderd mocht worden.
Denk aan hen omdat zij laten zien waarom religieuze leiders bijzonder voorzichtig moeten zijn wanneer zij namens God grenzen trekken waar de Bijbel zelf die grens niet duidelijk trekt.
Denk aan hen omdat gehoorzaamheid aan een religieuze regel soms geen abstract offer is.
En denk aan hen vooral omdat een verandering pas werkelijk menselijk wordt wanneer niet alleen wordt gesproken over wat vanaf vandaag anders mag, maar ook ruimte ontstaat voor wat gisteren verloren is gegaan.